Paul Beliën is een extreem-rechtse, oerconservatieve islamhater die zelfs het VB niet rechtlijnig genoeg vindt. Hij is getrouwd met VB-Kamerlid Alexandra Colen en introduceerde de VB-top enkele jaren geleden bij zijn gelijkgestemde contacten in de VS. Hij is ook adviseur van de Nederlandse politicus Geert Wilders, die hoofddoeken graag ‘kopvodden’ noemt.
Beliën is tegen abortus, euthanasie en gelijke rechten voor holebi’s. Dat is zijn goed recht. Hij vindt dat in een democratie iedereen ook het recht moet hebben om het bestaan van de gaskamers te ontkennen. En hij voert een digitale kruistocht tegen de islam, die volgens hem erop uit is om heel Europa te veroveren.
Het recht op een eigen mening en het recht om die mening ook te mogen uiten, behoren tot de hoogste verworvenheden van onze westerse democratie. De discussie over de islam mag dan ook na het drama in Oslo absoluut niet verstikken in een politiek correct taboe. Maar wie zijn opvattingen op grote schaal wil verspreiden, moet wel goed nadenken over de bewoordingen die hij hanteert en over de mogelijke consequenties van zijn geschriften.
In 2005, na de rellen in de Parijse voorsteden, noemde Beliën de betrokken moslimjongeren roofdieren die tijdens het jaarlijkse offerfeest hadden geleerd hoe ze warmbloedige kuddedieren moesten kelen. En vlak na de moord op Joe Van Holsbeeck, toen Beliën nog dacht dat de daders van Noord-Afrikaanse origine waren, schreef hij een pamflet onder de titel “Geef ons wapens!” Dat is geen vrije meningsuiting meer, dat is oproepen tot geweld.
Figuren met extremistische opvattingen - of ze nu links zijn of rechts - hanteren soms een discours met een bikkelharde toon, dat door labiele geesten makkelijk kan worden geïnterpreteerd als een oproep tot haat en geweld. Het is makkelijk om het te ontkennen, maar zulke harde taal kan volstaan om ergens ter wereld in het hoofd van een gek de stoppen te doen doorslaan. In het manifest van Anders Breivik staat het bewijs van die stelling zwart op wit te lezen.
Door Lex Moolenaar

