Als België en Nederland in 2018 of in
2022 samen het WK-voetbal mogen
organiseren is de kans groot dat
Antwerpen één van de speelsteden
zal zijn. Tijdens een voorstelling van de kandidaat-
speelsteden in Eindhoven, bleek dat
het Antwerpse stadiondossier een minstens
even goed verhaal is dan dat van een aantal
andere potentiële WK-steden.
Als we Nederland
even buiten beschouwing laten dan
toch. Want in Eindhoven bleek eens te meer
dat onze Noorderburen mijlenver voorliggen
op België als het gaat om organiseren en het
neerpoten van (voetbal)infrastructuur. Of
zoals iemand met een Antwerpse tongval
opmerkte: “We mogen opnieuw blij zijn dat
we ons karretje aan dat van de Nederlanders
kunnen hangen”. Opnieuw, want ook tijdens
het EK-voetbal in 2000, in beide landen, was
Nederland de locomotief.
Iedere Antwerpenaar
weet ook dat Antwerpen in dat jaar ontbrak
als speelstad voor het EK. Een stadsbestuur
dat weinig of geen interesse betoonde
en te weinig te laat deed, waren daarvoor de
belangrijkste oorzaken. Wat overbleef waren
rode kaken en hoongelach. Maar zover zal en
mag het nu niet komen. Voorlopig ligt Antwerpen
mooi op schema om speelstad te
worden als het WK-voetbal naar de Lage Landen
komt.
De gronden zijn er, de stedenbouwkundige
voorwaarden ook. Zelfs geld
lijkt niet het grootste probleem, omdat een
flink deel van het budget afkomstig zal zijn
van verschillende overheden zoals de stad
Antwerpen zelf. De kracht van het Antwerpse
voetbaldossier is deze keer dat de stad zelf
het initiatief heeft genomen om een stadion
te bouwen. Of er een WK komt of niet is
zelfs niet van het grootste belang. Ook als
’s werelds grootste voetbalfeest de Lage Landen
passeert zal er een nieuw stadion komen.
Het addertje zit in de relatie van het stadsbestuur
met R. Antwerp FC en vooral Germinal
Beerschot. Het stadsbestuur wil beide clubs
in één mooi stadion aan de Schelde, maar dat
ziet Germinal Beerschot niet zitten. Zij willen
een stadion voor zichzelf, omdat dit
financieel lucratiever is en hen de kans biedt
om door te stromen naar de Belgische top.
Totaal onzinnig is die redenering niet, maar
ondertussen zitten we in Antwerpen wel
weer met een probleem. Al is het er één van
de perceptie die zegt dat ’ze het in Antwerpen
ook nooit eens kunnen zijn’. Hopelijk
hebben stad en club lessen getrokken uit het
verleden en is er voldoende gezond verstand
aanwezig om deze keer de boot niet te missen.
door Patrick VAN DE PERRE
Steeds meer mensen ondervinden de
gevolgen van de crisis. In een Merksems
buurthuis is het aantal aanvragen
voor een voedselpakket verdubbeld
van veertig naar tachtig. Ook op andere
plekken waar hulpbehoevenden samenkomen
is er meer vraag naar materiële hulp. De
Belgische Federatie van Voedselbanken
rekende uit dat er dit jaar maar liefst vijfduizend
mondjes meer te voeden zijn dan in
2008. En daar komt bij dat voedselinzamelacties,
zoals onder meer Delhaize die organiseert
en waarbij klanten levensmiddelen
kunnen schenken aan het goede doel, voor
het eerst sinds jaren minder opleveren.
De verklaring hiervoor ligt voor de hand.
Ook mensen die nog wel rondkomen met
hun inkomen letten meer op de centen. Het
is crisis voor iedereen. Het toenemend aantal
mensen dat een beroep doet op voedselpakketten
is nog maar het topje van de ijsberg.
Hoeveel mensen zouden er wel niet zijn
die niet om hulp komen vragen omdat ze het
net redden of te trots of te beschaamd zijn
om met een gratis pakketje levensmiddelen
huiswaarts te keren? Ter illustratie: België
komt dicht bij de kaap van 100.000 leefloners.
Voor een alleenstaande betekent dit dat
hij of zij moet rondkomen met een maandbedrag van 725 euro. Dat is 20% minder dan de
Europese armoedegrens, die voor ons land
op 875 euro ligt.
Een crisisperiode is natuurlijk nooit het
goede moment om meer geld te vragen, maar
het is evenmin een goed argument om een
aantal problemen niet aan te pakken. Al helemaal
niet als het gaat om het sociale welzijn
van mensen. Naar aanleiding van de Werelddag
tegen de Armoede, ondertussen drie weken
geleden, stelde Groen! voor om de leeflonen
boven de Europese armoededrempel
te tillen. Hun argument is dat daarmee de
koopkracht van leefloners toeneemt. Daardoor
wordt het voor deze mensen niet alleen
iets makkelijker om rond te komen, maar
krijgt ook de economie een steuntje. Die operatie
zou de federale regering, verspreid over
enkele jaren, 1,25 miljard euro kosten. Geen
kattenpis, maar niets ondernemen is evenmin
een optie. Dit ’cadeau’ zal er vrijwel zeker
niet komen, maar het zou van weinig verantwoordelijkheid
getuigen als de overheid
zelfs niet de moeite doet om de armsten tegemoet
te komen. Als Groen! binnenkort opnieuw
een wetsvoorstel indient om de leeflonen
te verhogen, verwachten we minstens
dat er ernstig onderzocht wordt wat de mogelijkheden
zijn.
door Patrick VAN DE PERRE
Een beetje te overhaast en zeker ook te
lang. Zo zou je de 24 urenstaking van
het spoor, die nog tot donderdagavond
22 uur duurt, kunnen noemen.
Het zou een stuk verstandiger zijn
geweest als de stakende vakbonden ervoor
gekozen hadden om hun leden aan te zetten
tot prikacties of om gedurende een kortere
periode het werk neer te leggen. De reacties
op de aangekondigde 24 urenstaking waren
woensdag al bijzonder fel en vooral afwijzend.
Niet in het minst in Antwerpen Centraal,
waar forensen desgevraagd hun onbegrip,
frustratie en machteloosheid te kennen
gaven. Ook het ACV Spoorwegen, dat zelf
aan de staking deelneemt, zegt de actie te
betreuren. Maar die is, zo zegt de vakbond,
noodzakelijk.
We betwijfelen of dit klopt. De reden voor
de staking is de onduidelijke toekomst van
het goederenvervoer van B-Cargo. De vakbonden
willen dat het goederenvervoer
duurzaam wordt verankerd binnen de spoorweggroep
en niet wordt uitbesteed aan wat
zij huurlingen noemen. De inzet is werkgelegenheid
en vooral het behoud ervan. Want
de vakbonden vrezen dat het uitbesteden
van taken ten koste van het eigen personeel
zal gaan en dus tot afvloeiingen zal leiden. Waarschijnlijk hebben ze nog gelijk ook.
Maar om hiervoor nu meteen het treinverkeer
in het hele land plat te leggen? En vooral
dan het vervoer van mensen die vaak afhankelijk
zijn van het openbaar vervoer om van
en naar hun werk te reizen? Dat begrijpen
we niet. Als het om een zaak gaat binnen B Cargo,
zou het misschien niet slecht zijn om
eventuele acties of stakingen ook binnen die
groep te organiseren. Als daardoor het goederenverkeer
over het spoor vertraging oploopt,
zal de directie ook wel luisteren naar
de grieven van de vakbonden en het personeel.
Door meteen ook alle gewone treinreizigers
de dupe te laten worden van dit protest, creëren
de vakbonden in ieder geval geen maatschappelijk
draagvlak voor hun ongenoegen.
En het kan, zo lijkt ons, nooit kwaad om
een beetje begrip van de bevolking te hebben
als er een sociale en ongetwijfeld moeilijke
strijd moet gestreden worden. Een pleidooi
tegen het stakingsrecht is dit dus zeker
niet. Dat recht is met veel bloed, zweet en tranen
afgedwongen en moet zonder enige discussie
een recht blijven. Het zonder slag of
stoot blokkeren van het treinverkeer komt
dat recht alvast niet ten goede. Het ruikt een
beetje naar chantage.
door Patrick VAN DE PERRE
Volgende week openen in het winkelcentrum
’den Tir’ op het Antwerpse
Kiel een supermarkt en een slagerij
de deuren. Niet meteen wereldnieuws,
maar voor het winkelcentrum in
kwestie zou dat wel eens een welgekomen
reddingsboei kunnen zijn.
Sinds de opening in 2006 heeft het nooit
goed gelopen in ’den Tir’. De hoerastemming
van bij de opening veranderde al snel. Het
volk kwam niet massaal opdagen zoals werd
gehoopt, en na een paar maanden hielden
enkele winkeluitbaters het al voor bekeken.
Aanvankelijk werd de heraanleg van de
Sint-Bernardsesteenweg, pal voor de ingang
van het winkelcentrum, als excuus ingeroepen.
Maar ook nadat die klus was geklaard,
kwam er weinig schot in de zaak. Integendeel,
de leegloop zette zich voort en grote delen
van het ruim 12.000 vierkante meter grote
winkelcentrum waren ongebruikt.
Daarom is het nu zo belangrijk dat een supermarkt
en een slagerij naar dat stuk van
het Kiel komen. Misschien doet dit soort van
middenstand het op deze plek wat beter dan
de kleding- en woonwinkels die er eerst waren
gevestigd. De reden waarom ’den Tir’ tot
op heden geen succes is en het waarschijnlijk
ook nooit echt zal worden, is dat het winkelcentrum
er nooit had mogen komen.
Met de
Abdijstraat aan de overkant, een in Antwerpen
toch niet onbekende winkelstraat, was
de concurrentie sowieso al groot. En het Kiel
is nu best een aangename buurt om te wonen,
maar de bevolking is ondertussen zowel
etnisch, financieel als sociaal zo divers
geworden dat nog maar weinig Kielenaars
wakker liggen van nog eens een reeks extra
kleding- en schoenwinkels.
De stad heeft de afgelopen jaren meer dan
gewone inspanningen geleverd om het Kiel
te behoeden voor het totale verval. De heraanleg
van straten, de bouw van een mooi en
modern dienstencentrum, het aantrekken
van kantoren en ga zo maar verder. Ook het
Kielpark wordt volledig opgefrist. Dat zijn
klussen die veel geld kosten en als een privépartner
dan bereid is om van een oude school
een modern winkelcentrum te maken, is het
begrijpelijk dat het stadsbestuur zwicht.
Misschien wordt het stilaan tijd dat hetzelfde
stadsbestuur, in overleg met het management
van ’den Tir’, rond de tafel gaat zitten
over de toekomst van het winkelcentrum. Er
is ooit een vaag plan geweest om van het gebouw
een centrum voor outletwinkels te maken.
Het is in ieder geval duidelijk dat dit centrum
het in zijn eentje niet redt.
Door Patrick Van de Perre
Twee patiënten worden verwisseld, en
een van hen ondergaat daardoor een
urologische ingreep die helemaal
niet nodig was. Je kan het je nauwelijks
voorstellen, maar het is toch gebeurd in
Jan Palfijn, een overigens goed aangeschreven
instelling van ZNA, de verzelfstandigde
voormalige OCMW-ziekenhuizen.
Dat er in een medische tanker zoals ZNA
wel eens iets fout loopt, is onvermijdelijk. De
fusieziekenhuizen behoren qua schaalgrootte
tot de Europese top tien en er lopen ongeveer
zeshonderd artsen in rond, die elk jaar
een miljoen onderzoeken verrichten. Dat
blijft mensenwerk, en dus wordt er af en toe
een fout gemaakt.
Maar een verwisseling van patiënten? Dat
kan toch nooit gebeuren als een arts voor
elke operatie even zijn patiënt opzoekt of op
z’n minst controleert of hij het mes wel in de
juiste zet? Blijkbaar is dat in dit geval niet gebeurd.
“Ergens in de keten is iets verkeerd gegaan”,
probeerde de ZNA-woordvoerster de
bewuste artsen nog de hand boven het hoofd
te houden. Maar een arts draagt altijd de verantwoordelijkheid
voor zijn patiënten, die
voor hem meer dan nummers moeten zijn.
Het is niet de eerste keer dat we ons vragen
stellen over het verantwoordelijkheidsgevoel
van sommige ZNA-artsen. In het
Paola Kinderziekenhuis doen verhalen de
ronde over artsen die per dag slechts enkele
uren in het ziekenhuis doorbrengen en zo
snel mogelijk verdwijnen naar hun privépraktijk.
Ook aan weekendwachten hebben
ze een broertje dood. Zo schuiven ze (te) veel
verantwoordelijkheid op de nog frêle schouders
van de artsen in opleiding, die al het vuile
werk moeten opknappen.
De artsen van de ZNA-ziekenhuizen zijn
zelf mede-eigenaar van het netwerk, naast
de stad Antwerpen en het OCMW. Dat levert
hun onmiskenbaar een aantal voordelen
op, omdat ze mee mogen beslissen over
de apparatuur die wordt aangekocht en over
de manier waarop de ziekenhuizen worden
gerund. Maar naast de lusten die deze positie
meebrengt, moeten de artsen natuurlijk
ook een rechtvaardig deel van de lasten willen
dragen.
De verzelfstandiging van de OCMW-ziekenhuizen
is een gigantische operatie geweest,
die noodzakelijk was om een financieel
structureel ongezonde situatie te saneren.
Nu ZNA er is, moeten alle partners hun
uiterste best doen om het imago van de instelling
hoog te houden door een kwalitatief
optimale zorgverstrekking.
door Lex MOOLENAAR
De Lijn moet, net zoals zoveel andere
bedrijven, de tering naar de nering
zetten. Al na het sluiten van het
Vlaams regeerakkoord werd duidelijk
dat de Vlaamse vervoermaatschappij
De Lijn en de VRT, als semi-overheidsbedrijven,
niet zouden ontsnappen aan een besparingsronde.
Nu de onderhandelingen starten, worden
de eerste proefballonnetjes opgelaten. Zo
zal er een indexverhoging worden doorgerekend
op de tickets. Ook dat was al een van
de afspraken in het Vlaams regeerakkoord.
De prijsverhoging zal niet voelbaar zijn bij
de gewone biljetten. Want een prijsstijging
met enkele eurocentiemen is allesbehalve
handig bij de betaling. Maar rittenkaarten
en abonnementen zullen niet ontsnappen
aan de maatregel.
En dat er een vorm van gratis-plus komt,
is volgens onze bronnen meer dan voor de
hand liggend. Het is ook zo gek nog niet. Momenteel
krijgt elke 65-jarige, zonder uitzondering,
een gratis abonnement in de brievenbus.
Ook al wil hij of zij daar nooit gebruik
van maken, en zelfs al kán de persoon in
kwestie door een handicap of ziekte er nooit
plezier aan beleven. Dus gaan er stemmen op
om 65-plussers wel een gratis abonnement te geven, maar enkel als ze erom vragen. En
ze zouden daarvoor een administratieve bijdrage
moeten betalen.
Die stap ligt voor de hand als straks wordt
overgestapt op een chip in plaats van een
betaalkaart. Zo’n chip is een stuk duurder -
denk maar aan uw identiteitskaart van circa
15 euro - dus ligt een gepaste bijdrage voor
de hand.
Met zo’n chipkaart zal De Lijn meteen met
twee voeten in deze eeuw stappen. Want
naast een betaalkaart is zo’n chip een uitstekend
middel om efficiënter te kunnen
werken. Zo kan de computer via de chip vrij
snel weten welke leeftijdsgroep welke ritjes
maakt, hoeveel ritten er worden gemaakt en
hoe De Lijn daarop moet inspelen om een zo
goed mogelijke service te bieden.
Spijtig genoeg is dat toekomstmuziek,
want de minister moet nog harde noten kraken.
Zij staat voor de aartsmoeilijke opdracht
om De Lijn noodgedwongen af te slanken.
Maar hoe doe je dat? Als je bespaart op het
aantal voertuigen, krimpt het aanbod van De
Lijn. Juist dat is, samen met het comfort, een
middel om automobilisten in bus of tram te
lokken. En besparen op materieel zorgt voor
overvolle rijtuigen. Ook dat is niet aanlokkelijk.
door Johan VAN BAELEN
De burgemeester van Rotterdam Ahmed
Aboutaleb (PvdA) werd woensdagochtend
officieel verwelkomd door Antwerps burgemeester
Patrick Janssens (sp.a).
Aboutaleb kent Antwerpen. Als hij even wil
ontspannen, bezoekt hij de stad om te genieten
van de terrassen en de bonbonwinkels.
Beide burgemeesters willen de contacten
tussen de steden verbeteren, want zij worstelen
met dezelfde uitdagingen en vragen.
Hoe maak je van de stad een kwaliteitsvolle
en leefbare omgeving?
Steden werden lang beschouwd als oorden
van verderf. Dit beeld was zo hardnekkig
dat zelfs de stedelingen het begonnen te
geloven. Zij keerden hun rug naar de stad en
trokken de groene rand in. Wie achterbleef,
sloot zich op achter zijn voordeur.
Toch bleef
de aantrekkingskracht van een stad sluimeren.
Een stedelijke omgeving fascineert door
zijn imperfectie. Dit maakt een stad ook eerlijk.
Armoede, rijkdom, vervuiling, cultuur,
verkrotting, toparchitectuur. Het is allemaal
zichtbaar en maakt haar ook zo boeiend.
Midden jaren ’90 veranderde stilaan de
sfeer en het beeld over een stad. In Antwerpen
is dat voor een groot deel te danken aan
de Antwerpenaars zelf. Ze staken de handen
uit de mouwen en begonnen op een zeer bescheiden
manier nieuw leven te blazen in
hun straat.
Gelukkig pikte het stadsbestuur
dit snel op. Er kwamen initiatieven om bewoners
te ondersteunen. De trots en het zelfvertrouwen
van de stad groeiden. Dit kreeg ook
fysiek vorm met projecten als de Leien, Museum
aan de Stroom, het nieuwe gerechtsgebouw,
de bibliotheek Permeke en het park
Spoor Noord. De troeven van de stad Antwerpen
kwamen prominent in de vitrine te
liggen: mode, haven, diamant en gastronomie.
Jonge gezinnen komen in de stad wonen.
Sommigen uit liefde, anderen uit pragmatische
overwegingen. Dat blijkt uit de stijgende
woningprijzen in de buurt van scholen in
een stad. Ook de generatie die in de jaren zestig de
stad had verlaten, komt terug. Wie wat ouder
wordt, heeft graag alles bij de hand.
Toch zijn we er nog niet. Dat beseffen de
burgemeesters maar al te goed. Janssens ziet
drie uitdagingen voor zijn stad: goede kwaliteit
van de straten en pleinen, een duurzaam
economisch draagvlak en de diversiteit.
Antwerpen staat op een kantelpunt, maar
de verhoudingen tussen de bewoners onderling
en met de stad zijn nog zeer breekbaar.
Het werk is nog niet af.
door Sacha VAN WIELE
Het onderwijs in Vlaanderen evolueert
in een rotvaart. De scholen
willen meer jongeren betere kansen
geven in de samenleving.
De Antwerpse scholen van alle netten nemen
al jaren het voortouw in een betere begeleiding
van de leerlingen. Scholen hebben
naast vakleerkrachten een batterij leerkrachten
om jongeren beter te begeleiden.
Het stedelijk onderwijs gaat in zee met de
softwarefabrikant Microsoft. Leerlingen leren
al van in de basisschool op een speelse
manier computervaardigheden aan. De leerkrachten
krijgen de mogelijkheid om individuele
leertrajecten op te stellen op maat van
de leerling.
Het onderwijs in Vlaanderen scoort op wereldvlak
heel goed, maar slaat op het gebied
van gelijke kansen een belabberd figuur. Nog
te veel jongeren verlaten de school zonder diploma.
In het Antwerpse basisonderwijs is
bijna dertig procent van de leerlingen minstens
één keer blijven zitten. In het secundair
onderwijs stijgt dat naar de helft.
Nergens in Vlaanderen zijn de schoolbanken
zo divers als in Antwerpen. En bij divers
bedoel ik niet alleen gekleurd. Eén op de vijf
Antwerpenaars leeft in armoede. Concentratiescholen
zijn ook geen goede startposistartpositie
voor jongeren. Binnen het onderwijs werd
berekend dat twintig procent van de kinderen
naar een andere school zou moeten, als
men de achtergestelde kinderen beter wil
spreiden over alle basisscholen.
De omvang van de maatschappelijke problemen
is zo groot dat de scholen op dit moment
niet in staat zijn om voor een kentering
te zorgen. Een studie van het Centrum voor
Sociaal Beleid bewees dat de sociale ongelijkheid
in het onderwijs de afgelopen dertig
jaar niet is afgenomen, ondanks alle inspanningen
rond gelijke kansen.
Een grote verantwoordelijkheid ligt natuurlijk
bij de ouders, maar wat als vader en
moeder niet in staat zijn om hun kind te helpen
bij het huiswerk? Een eerste stap in de
goede richting zou al zijn dat kinderen op 2,5
jaar naar de kleuterschool gaan. Misschien
ligt een deel van het probleem bij onze onderwijsstructuur.
Het is tijd voor een kritische
evaluatie. Daarbij moeten we zaken in
vraag durven stellen die we tot op vandaag
vanzelfsprekend achtten. Steeds meer onderwijsdeskundigen
hebben bedenkingen
bij de vrije onderwijskeuze, een van de grote
taboes binnen het onderwijs. Als er niet snel
iets gebeurt, blijven onze scholen gefrustreerde
jongeren afleveren.
door Sacha VAN WIELE
Groot Antwerpen en de provincie
komen als grote winnaars uit de
jaarlijkse proefwedstrijd die voorafgaat
aan de publicatie van de restaurantgids
GaultMillau. Dat is een hele
opsteker voor de stad en omgeving, want de
jongste jaren leek de grootste horeca-stad
van het land vooral in de breedte te groeien.
Op zich is dat soort van groei niet slecht,
al was het maar om de basis te verstevigen.
Maar om de kwaliteit de hoogte in te stuwen,
zijn voorbeelden nodig. Die hadden we natuurlijk
wel, maar de grote namen kwamen
tot nu uit de vorige generatie. Daar is, begrijp
me niet verkeerd, niets fout mee, integendeel.
Maar die mannen kunnen niet blijven
de kar trekken.
Daarom zijn de keuzes van GaultMillau zo
deugddoend. Ze zetten een jonge generatie
chefs en restauranthouders op de kaart.
Het is de verdienste van de restaurant- en hotelgids
dat hij twee jaar op rij durft te kiezen
voor vernieuwing. Vorig jaar werd autodidact
Viki Geunes van ’t Zilte in Mol chef van
het jaar. Dit jaar werd gekozen voor patissier
Roger Van Damme, die een gezonde aandacht
heeft voor de moleculaire keuken. Wat
niet meteen wil zeggen dat nu alle chefs die
richting moeten uitgaan.
Neen, het belangrijkste
lijkt me dat Roger Van Damme zijn afkomst
nooit of te nimmer verloochent. Hij is
er trots op dat hij is begonnen met het verkopen
van broodjes kaas. Op die manier is hij samen met andere jonge
chefs de wegbereider van de volgende generatie.
Want ook die heeft idolen nodig om
naar op te kijken. Zoals naar de jonge Thierry
Theys, die in Duffel al na anderhalf jaar zéér
hoge ogen gooit. Of twee dertigers die in de
Rascasse in Kapellen gastheer en gastvrouw
van het jaar zijn geworden.
De mooie scores van deze jonge Antwerpenaars
zijn misschien toeval. Maar de stad
doet er wel alles aan om dat toeval een stuk
te helpen. Want de sector heeft het moeilijk
om volk te vinden dat wil werken als anderen
feesten. Daarom tracht de stad ervoor te
zorgen dat horeca-opleidingen beter zijn afgestemd
op de behoeften van de sector. Niet
onbelangrijk, als je weet dat in de stad Antwerpen
alleen al 8.200 mensen in de horeca
werken.
door Johan VAN BAELEN