Als frauderen een nationale sport is in ons land, dan haalt de horeca op één been het olympisch minimum. Zelfs de eigen beroepsfederatie geeft onomwonden toe dat zeker één op de drie buiten de lijntjes kleurt. Als een verlichting van de loonlasten ertoe kan bijdragen dat minstens een deel van die arbeid naar het witte circuit terugkeert, dan hoeft die maatregel de staat geen geld te kosten. Bovendien zal misschien ook de discussie over het rookverbod en het daarmee gepaard gaande omzetverlies verstommen.
We horen het u al denken: “Iedereen gelijk voor de wet”. Ook de industrie en de bouwsector staan al jaren aan de klaagmuur als het gaat over de hoge loonkosten in ons land. Hebben zij dan geen recht op zo’n forfait? Puur principieel valt daar inderdaad iets voor te zeggen. Toch zijn er objectieve argumenten die een aparte behandeling van de horeca rechtvaardigen. De gemiddelde toegevoegde waarde van een barman die pintjes van twee euro tapt, ligt zes keer lager dan die van een chemiearbeider, die in zijn eentje een hele productielijn in de gaten kan houden. Beide sectoren zijn economisch dus niet vergelijkbaar. Bovendien is de horeca een belangrijke werkverschaffer van laaggeschoolden en andere kansarme groepen.
Alleen daarom al mag de sector wat ons betreft best wat extra zuurstof krijgen. Nu is het aan de restaurants en cafés om een breuk te maken met het verleden. Voorlopig krijgen ze wat dat betreft het voordeel van de twijfel. Want ook bij de invoering van de btw-verlaging, meer dan een jaar geleden, beloofde de horeca het zwartwerk terug te dringen. Maar daar valt op het terrein niet veel van te merken. Gelet op de beperkte budgettaire ruimte die de regering de komende jaren heeft, hopen we voor John Crombez dat de nieuwe maatregel wel het gewenste effect heeft.
door Pieter Leuridan



Reacties