Een toemaatje. In Tokyo no less. Het moment dat ik besef wat ik aan het doen ben, word ik een tikkeltje zenuwachtig. Vliegen naar een miljoenenstad in de winter met de Aussie zomerblues. Het vliegtuig is veel te laat waardoor het al lang donker is. Ik heb een adres, in Japans Engels. Maar ik heb internet nodig om te weten of de mensen thuis zullen zijn. Daar heb ik cash geld voor nodig. Dat heb ik niet, en ook geen idee wat het waard is. De geldautomaten herkennen mijn kaart niet. Hoe gaan ze hier geld verdienen aan toeristen als de automaten geen buitenlandse kaarten herkennen? Na vijf keer de luchthaven op en neer te dragen met gelukkig maar drie halfzware zakken heb ik het zo warm dat ik buiten kan in mijn t-shirt. Geweldig, de zomer blijft nog even bij me vanavond.
In de rij voor de bus ruil ik mijn rugzak voor een glimlach en een nummertje. Alle last van mijn schouders, letterlijk. Tot een uur later: Shinjuku Station. Uit de warme bus. Terug op straat, in de drukte. Gewapend met mijn adresboekje hou ik een taxi aan. Hij stopt. Dapper, maar tevergeefs. Na tien minuten gebaren en herhalen doet hij de deur weer open. Zonder Engels of GPS tot zijn dienst slaat hij het risico af. Hij wil zelfs niet vertrekken.
Door pure onwetendheid geef ik de man lik op stuk door de autodeur dicht te slaan. De deuren van die taxi's moet je weten, die gaan automatisch open en dicht. Maar niet echt, want eigenlijk is het de chauffeur die ergens op trapt met zijn voet. Dus als je de deur dichtslaat dan komt dat ding tegen zijn been. De regel is dat je dat enkel doet als je echt boos bent. Voor alle duidelijkheid, dat ben ik niet.
Maar ik sta wel weer terug bij af, en wat staren naar een stadsplan brengt me enkel dichter bij de rand van een beetje staan panikeren. Tot een man me zijn hulp aanbiedt. Zomaar vrijwillig loopt hij voor me uit naar het politiebureau, dringt hij aan om daar een kaart te lenen en zoekt hij een taxichauffeur met een vriendje
van TomTom. Tot slot krijg ik zijn kaartje nog en zijn aanbod voor verdere hulp mocht dat nodig zijn. Het is niet nodig. Ik ben terug op schema en op mijn gemak. Zeker als ik een tijdje later een Belgische naam zie staan op een deurbel. Ik heb ze gevonden, de naald. Few...ik kan in een bed slapen vannacht.
De volgende dag herken ik de winter aan de zon. Zo een aarzelend maar scherp zonnetje dat door het frisse ochtendtintelen heen priemt. Lang geleden, maar bekend. Net als thuis. De twee dagen die ik hier heb, beginnen met een ochtendspits metro-ervaring. Hou je vast: er zijn werkelijk mensen wiens job het is
de reizigers in de metro te duwen. Daardoor kom je zo dicht op elkaar te staan dat sommigen al zwevend wat hangen te slapen.
Door de straten van - afwisselend - Asakusa, Ueno, Ebisu en Ginza dwaal ik vervolgens rond. Ik kijk naar mannen in maatpak die vogels voeren. Eet een inktvisbol op straat zonder inktvis. Pas een jurkje dat veel te klein en veel te duur is, maar de winkeljuffrouwen zijn zo enthousiast dat ze met twee tegelijk de rits proberen dicht te krijgen. Het lukt, maar gelukkig niet langer dan drie minuten. (Of hoe lang kan een mens zijn adem in houden?)
Van achter een Starbucks koffie op de eerste verdieping aan het bekende kruispunt in Shibuya verbaas ik
me over de volksverhuizingen telkens het licht op groen springt. Ik zie hoe elk winkeltje in de grote winkelcentra zijn eigen sprookje maakt. Ik spendeer een half uur aan zoeken naar het juiste knopje om het toilet door te trekken. Er is namelijk een hele armleuning vol knopjes! Om de bril te verwarmen – wat wel iets voor mij is – om geur en geluid te compenseren en om een waterstraal te activeren. Vooral verwarrend...
's Avonds gaan we eten. Op zijn Japans. Wist je dat er op straat speciale
hoekjes zijn om te roken, maar op restaurant mag je rustig wegpaffen. Het gaat hen meer om de peuken denk ik dan om de rook. In elk geval. Het eten. Op zijn Japans. Ik zit met een stel Japanse meiden in een gezellig, gericht verlicht restaurant. We zitten op kisten waarin we onze spullen kwijt kunnen. Onder het praten worden er constant kleine gerechtjes af en aan gedragen. Natuurlijk enkel omdat zij die allemaal bestellen, maar er is geen toeristen versie van het menu. Bovendien beperkt het Engels van de bediening zich tot een zenuwachtig giechelen. Moet ik zeggen dat ik geen overtuiging nodig heb om mij met overgave te laten verrassen door de inspiratie van mijn tafelgenoten?
Achteraf ontdekken we de meer dan ontwikkelde karaoke scene. Wat een verschil met de Bonaparte: je eigen centimeters dikke boek vol liedjes, een reuzescherm met knopjes, een aantal micro's, tamboerijnen,
enne, een telefoon om te bellen voor pintjes! Wat wil je meer? Cocktails achteraf? Een lift naar de luchthaven shuttlebus de ochtend na? You name it.
Die bewuste zondagochtend doet het een beetje pijn om op te staan. De laatste ochtend aan de andere kant van de wereld. De Japanse kers op de Kiwitaart. Het taaltje niet te verstaan, het geschrift niet te lezen, maar de mensen gaan uit hun weg om jou je weg te wijzen. Boeiend, boeiend. Tot het einde.


Liesbeth, mijn reisbelevenissen zijn maar klein bier telkens wanneer ik jouw verhalen lees. Prachtig geschreven! 30 jaar geleden......zou ik met jouw de wereld
rondgetrokken hebben.
Geplaatst door: lu | 17-6-07 om 10:28
Met mij en een grote doos pampers?
Geplaatst door: liesbeth | 17-6-07 om 20:09
konichiwa,
toen kwamng r ne veirken mé ne wree lange snoeut ent vertelseken was oat.
wouter.2007
Geplaatst door: woutervanloo.007 | 19-6-07 om 23:01