“Laat de moed niet zakken”. Het waren Sor Anita’s laatste woorden aan mijn adres voordat ze in de taxi stapte die haar naar Morelia zou brengen, haar thuisland. Een week is ze daar nu al op vakantie, en het duurt nog eens vijf dagen vooraleer ze terugkomt. Die time-out had de zeventigjarige zuster broodnodig, na bijna een halfjaar zeven dagen op zeven keihard te hebben gewerkt. Voor mij maakt haar afwezigheid het
er niet makkelijker op. Mijn (dikwijls) vrije uren in de voormiddag worden nu opgeofferd aan de studie van Miguel Angel, Alejandro en Manuel (zie foto) – voordien het werkterrein van Sor Anita. Vrije momentjes worden gezegend met de begeleiding van de jongens uit het eerste leerjaar. Maar de last gaat verder dan fysieke vermoeidheid. Sor Anita is de zuster die me af en toe eens vraagt hoe het met me gaat, die aan mijn kant staat bij moeilijkheden, mijn vertrouwenspersoon. Tijdens het avondeten is het tegenwoordig vaak stilletjes in mijn hoek van de tafel.
Sor Anita bleef vorige week nog net lang genoeg om mee te maken hoe mijn rel met de overste escaleerde. Sor Rosita, de zwarte bladzijde in mijn Mexicaanse dagboek, ging vorige vrijdag regelrecht over de schreef. Dat ze mij om één of andere reden niet kan uitstaan, was al langer duidelijk. Maar na het geval met de operatie van Armando (zie eerder) en een dozijn vergelijkbare moeilijkheden daarvóór, begon die houding problematisch te worden. Maar ik hield me in.
Tot vorige vrijdagochtend dus, toen Sor Rosita me bijzonder cru en op mijn nuchtere maag kwam duidelijk maken dat ze mijn steun aan de opleiding van Augusto óók niet zag zitten. Ik kon mijn oren niet geloven. Ze haalde de ene na de andere reden boven, die stuk voor stuk geen steek hielden. Ik was het zó grondig beu dat ik besloot beleefd maar kordaat te zeggen waar het op stond. “Sor Rosita”, zei ik, haar sarcastische blik vasthoudend, “mensen met dezelfde goede bedoelingen hebben soms heel verschillende visies op hóe die te realiseren. Ik ben er van overtuigd dat u begrijpt dat, als ik na vijf maanden heel erg overtuigd ben van mijn manier om het goeie te doen voor deze jongens, ik me daarbij niet door enkele zusters in de weg kan laten staan”. Ze keek me zo razend aan als haar stoïcijns imago toeliet. “Als je Augusto dat geld geeft, pakken we het hem terug af.” – “Goed. Als de zaken er zo voorstaan, weet ik genoeg.” Ik was kwaad, woest zelfs, maar meer nog dan dat: verbouwereerd, vol onbegrip over zoveel kortzichtigheid en botte rancune.
Nu kan je daar niet bij blijven stilstaan. Als binnenkort de nationale inspectrice (op de foto tijdens een vorig bezoek) arriveert, zal ik bij haar wel
eens een boekje opendoen. Intussen heb ik over de problemen gepraat met Sor Anita, zelf bij wijlen laaiend over de grillen van haar overste, met Luis, de koffiehandelaar, en met Veronica. Alledrie zeiden ze min of meer hetzelfde: laat Sor Rosita erbuiten, doe jouw ding, en doe het goed. En uiteindelijk komt het daarop neer: samenleven, hoe moeilijk dat soms ook is, en blijven focussen op je eigen doelen. Dus ga ik deze week nog met Augusto naar BancoNorte om te kijken of we er samen een rekening kunnen openen, die hij na mijn vertrek onafhankelijk kan beheren. Dit is té belangrijk voor die jongen om te laten schieten.
Op moeilijke momenten zoek ik mijn heil nogal eens bij de immer opgewekte Benito Petito, die me met plezier helpt de komende reis voor te bereiden (zie foto) - al zou hij me toch liever hier houden. Afgelopen week had hij “Dag van de Familie” op school, wat voor een weesje geen onverdeeld dolle pret is, maar gelukkig is Benito nog te jong om dat te beseffen. Zeker omdat ik hem vergezelde, zodat hij naast al zijn vriendjes mét ouders toch niet alleen was. Ik heb eerder al eens vermeld dat ouders hier schrikwekkend
actief zijn op de schoolfeestjes van hun kinderen. Die dag was het weer prijs, met een rondje touwtrekken als apotheose. De zeventien mannen en vrouwen aan onze kant bleken niet opgewassen tegen de vijfentwintig krachtpatsers aan de andere kant. Het verlies wenkte dus, ware het niet dat onze laatste man zo snugger was geweest de koord vast te binden aan het vlaggenmonument achter ons... . Maar toen mijn ploeggenoten zich gewonnen gaven, gebeurde dan ook het onvermijdelijke: op amper twintig centimeter van mijn rechterschouder zoefde de vlaggenmast naar beneden, om met een donderende klap op het beton te slaan. Ik schrok me rot, maar de grootste schok moest nog komen. Toen ik me omdraaide, zag ik dat niet alleen de mast, maar het hele betonnen monument was omvergetrokken. En vanonder de stenen kolos klonk het gehuil van een kind. Ik slaakte een zucht van verlichting toen mijn zoekende blik die van Benito kruiste, op veilige afstand van de plaats van het onheil. Van alle kanten schoten handen toe en even later hadden we de ongelukkige jongen bevrijd. Zijn been zag er heel lelijk uit en hij werd onmiddellijk afgevoerd. Het schoolfeestje was vrijwel direct afgelopen, en ik wandelde toch lichtjes aangeslagen met Benito aan de hand naar huis.
Voorts onlangs ook de inspirerende gelegenheid gehad om eens een nachtje op El Rancho, het platteland in Chiapas, te beleven. Veronica wou me haar dorpje eens laten zien, dus namen we zaterdagavond de bus om een uurtje later te arriveren in Jesus Maria Garza, een niemendal van een gehucht, een dozijn
zanderige wegeltjes met eenvoudige huizen erlangs, vijf man en een paardenkop groot, ingedommeld tussen de noordelijke uitlopers van de Chiapaneekse Sierra Madre (zie foto) . Stilte. Sterren. Een fietser die in de nacht en door het mulle zand zijn weg zocht, zonder licht, zonder haast. Na een stuk taart bij Veronica’s mama, ging het richting wekelijks verzetje: een bokspartij in open lucht tussen twee lokale would-have-beens. Op een door peertjes verlichte patio had zich het hele dorp verzameld om hun favorieten toe te juichen. De kemphanen, twee gezette veertigers, gaven elkaar er duchtig van langs, terwijl aan de poort de heftigste supporters onderling op de vuist gingen. Vijf minuten later had iedereen zijn vriendjes gebeld en lag het halve binnenplein op een hoop, zodat Veronica en ik wijselijk besloten via het achterpoortje te verdwijnen. Van de vele ontmoetingen die ik de volgende ochtend nog meenam, was de kennismaking met Veronica’s nonkel wel de meest markante. De brave man zat doodleuk zijn revolver te laden tijdens het opslurpen van zijn ochtendkoffie. De kogels lagen op tafel tussen de suikerklontjes. “ ’Morgen. Koffietje?” De wetten van El Rancho zijn toch ‘n geval apart.

Reacties