Tachtig kilometer naar het Oosten en 200 kilometers zuidwaarts – mijn actieradius is afgelopen weekend weer eens flink uitgebreid. De halve herfstvakantie zorgde er immers voor dat ik weer nieuwe chiapaneekse horizonten kon gaan verkennen. En daarvan heb ik rijkelijk geprofiteerd, met een wel héél avontuurlijke uitstap van de Albergue richting Sierra Madre, een bezoek aan het San Cristobal van de zapatisten (mét tips van kenners), en een eerste, bijzonder aangename kennismaking met het Tuxtlateecse nachtleven! Één maand na mijn aankomst sta ik nog elke dag perplex.
Na de verkenning van het eigen binnenste tijdens hun bezinning donderdag, hadden ook de zusters duidelijk nood aan een stapje in de buitenwereld. Dus werd beslist om vrijdag met de zusters en de overgebleven kinderen de geboortestreek van Sor Conchita te gaan bezoeken. Haar thuis is gelegen in de onherbergzame uitlopers van de zuidelijke Sierra Madre. Zo gezegd zo gedaan, en toen Ivan de
achtiende(!) passagier in het mini(!)-busje gemanouvreerd had, kon hij zelf achter het stuur kruipen voor wat een helse tocht zou worden. Kilometers en kilometers reden we zuidwaarts, langs stoffige wegen, armoedige dorpjes en zwaarbewaakte legerposten. Over de kaart kroop ons de Nissan Urban langzaam maar zeker naar beneden, terwijl de broeierige warmte en het monotome gezoem van de motor, het tikken van de klok deden vervagen. Het slaperige gezelschap werd uren later wakker bij de verdwaasde aanblik van de schitterende landschappen die aan het raampje passeerden: beboste heuvels en verborgen bergmeertjes die lagen te blinken in de middagzon. In het laatste dorpje van de bewoonde wereld stapte de helft van de passagiers over in een open jeep, beter geschikt voor wat komen zou.
Samen met Jorge, Paco en Nereo kon ik vanuit de terreinwagen zien hoe Ivan in de Urban zweette bij zijn pogingen ons over de bochtige wegen te volgen. De tropische vlakten gingen over in een bergachtige jungle, tot het wegoppervlak zowaar verdacht hard begon te lijken op de bedding van een bescheiden watervalletje. Wat er al een uur zat aan te komen, gebeurde dan ook: bij een zoveelste oversteek reed de minibus zich vast in de ondiepe rivier. Terwijl de wielen aan een alarmerend tempo wegzakten in de modder en het busje water begon te maken, werden in allerijl alle aanwezige mankracht achter, en de jeep vóór de Urban gespannen. Aangezien echter ‘alle aanwezige mankracht’ zo’n beetje neerkwam op mezelf en ik al veel te lang niet meer gefitnessed heb, kwam ik heel even de man met de hamer
tegen. Maar uiteindelijk kregen we het busje terug vlot getrokken en konden we de weg voortzetten. Na een korte stop bij Sor Conchita’s grootouders, reden we tot aan de rivier. Zwemmen in een snelstromende rio tussen de lianen en mangrove – de wildwaterbaan in CenterParks is er niks tegen! Ik heb maar niet gevraagd of er daar ook piranha’s zitten... . Tijdens het partijtje beachsoccer op de zanderige rivieriever kregen we dan ook nog eens een tropische stortbui in de nek. Op de terugweg maakten de ondergaande zon, de grasgroene hellingen én een aardbeienijsje de dag helemaal compleet. Geweldige teambuildingactiviteit voor de zusters en mij trouwens!
San Cristobal en de Santo Diablo
Zaterdag kwam Maribel, de nogal overrompelend vriendelijke fysiotherapeute uit Armando’s revalidatiecentrum, mij ophalen om met samen met haar vriendin Dahlia San Cristobal de las Casas te gaan bezoeken. Het voormalig centrum van de zapatistische opstandelingen ligt zo’n 1700 meter hoger dan Tuxtla en het klimaat verschilt dan ook als dag en nacht. De kille motregen en de naaldwouden
rond San Cristobal deden me nog het meest denken aan het Zwarte Woud, terwijl het stadscentrum net weggeplukt leek uit een of ander vergeten maar wondermooi Toscaans dorpje. Op de Indiaanse markt verkochten indigenas uit de streek hun waren in de schaduw van de koloniale kerk. Dahlia kende het stadje zó goed dat ze bij momenten iets weghad van een wandelende trottergids: niks dan tips van kenners en gillers van trotter-mopjes.
s’Avonds kregen we het gezelschap van Manuel, een 25-jarige reclamejongen, kennis van Dahlia en bijzonder toffe pee. Hij vergezelde ons naar een Mexicaans ‘Grand Café’ dat afgeladen was met affiches van stieregevechten van de laatste 25 jaar, sfeervolle verlichting en tokkelende vijfmansorkestjes – de Villa Ernesto dus, maar dan in het echt :d Na menige Corona en tostuladas (gefrituurde tortilla’s) met allerlei veel te pikante dingen erop, verhuisden we naar het iets ruigere etablissement. In de Santa Diablo – een nogal exclusieve club met een gigantisch rieten dak en indrukwekkende bar – bleek Manuel de buitenwippers te kennen, zodat wij in een wip bínnen waren. Meegenomen, die lokale gidsen! De steeds prettiger wordende Manuel had in geen tijd een fles (echte Mexicaanse) tequila op tafel staan, naast een assortiment limoenen, zout en tomatensap. Feesten geblazen in de Diablo, met de Mexicaanse Da Boy Tommy achter de draaitafel, enkele van de fijnere boenkplaten en zowaar het weergaloze California Dreamin’ van de Beach Boys! s’Anderdaags natuurlijk een houten kop in de kerk, maar dat hoort er dan bij!
Licensed to kill
Nadat Maribel mij rond 3 uur met verbazingwekkend vaste hand en dito snelheid terug naar de Albergo had getaxied, moest ik natuurlijk nog zien binnen te geraken. Daartoe was ik eerst van plan geweest over de poort te kruipen. Dat ik uiteindelijk toch maar aanbelde, had meer te maken met de raad die Sor Luz Maria me gegeven had dan met mijn fysiek paraatheid na de Santo Diablo. Het blijkt hier immers zo te zijn dat politiepatrouilles die iemand over een poort zien klauteren, vanop honderden meters afstand schieten zonder waarschuwing. Of dat dan niet dikwijls resulteert in vergissingen en lijken om een kruimeldiefstal? “Tuurlijk wel, maar daar trekt de politie zich niets van aan.” Daarop begon Sor Luz Maria een nogal danteske beschrijving in ware maffiastijl – kant en klaar filmscenario, nú al een klassieker. Ze had het over de drugskartels, die de motor zijn van het geweld in de Mexicaanse straten, van roofmoorden tot de Zapatistische opstanden. Over een stad hier in de buurt, waar twee families elkaar naar het leven staan in de drugstraffiek en bijgevolg na 21 uur s’avonds enkel nog legertanks in de straten te zien zijn – Bagdad is er niks tegen. Over de infiltranten en het smeergeld die niet alleen de politie weghouden maar ook hele krantenredacties de mond snoeren. En de politie die de groten bewust laat lopen, verkwist de kogels aan krakers en zakkenrollers. “Wees gerust, als ze je zien, leggen ze je om”, zei ze met een uitgestreken gezicht. Toen wist ik het wel! Dat ik hier ondertussen ook het leger heb leren kennen, lees je binnenkort op deze blog...
Verder rest ons enkel het kortnieuws-overzicht! Onlangs is er een artikel over mijn ervaringen hier in Het Laatste Nieuws verschenen (zie afbeelding). Jammer genoeg legt dat nogal wat verkeerde accenten. Het tekstgedeelte is betrekkelijk oppervlakkig over mijn werk hier en gaat grotendeels over
minder belangrijke feiten en feitjes, terwijl de keuze van de foto een beetje verkeerdelijk doet vermoeden dat ik hier op doodleuk op vakantie ben. Maar goed als Communicatiewetenschapper weet ik ook met welke motieven zo’n stukken geschreven worden, en ik blijf dankbaar voor elke vorm van publiciteit die mijn initiatief in België krijgt! Voorts nog even melden dat mijn usb-stick vanmorgen een volledige wasbeurt overleeft heeft (hiphoi!), dat er plannen zijn voor een basketbaltornooi, Engelse lessen en een krantenabonnement, en dat de brandend hete chilipepers me hier ondertussen de oren en alle andere lichaamsholten uit komen. Adios!

Reacties