Hoe die zusters het volhouden, vraag ik mij soms af. Het antwoord is even logisch als duidelijk: niet. Ook gisteren zaten er tijdens een toespraakje van de hoofdzuster na het avondeten weer drie zusters te knikkebollen. De barmhartige salesianen draaien hun nikkel af van 5u s’morgens tot 22u s’avonds en stellen het met nachten van drie à vier uur slaap. Zelfs ik zit met mijn gemiddelde van zes uur slaap niet altijd even fris. Alhoewel de vergelijking niet op eigen ervaring berust, denk ik wel te mogen stellen dat deze week zeker zo vermoeiend was als een uitgeregende Parijs-Roubaix op een antieke tandem - met de voltallige Pointer Sisters achterop. Een korreltje zout niet te na gesproken: héél vermoeiend dus...
Mijn dagschema voor de weekdagen krijgt zo’n beetje vaste vorm. Na om halfzeven uit mijn bed te zijn geklauterd, help ik de kinderen zo snel mogelijk hun ontbijt naar binnen te werken, want om halfacht vertrekken we met z’n allen richting school. Als de schoolbus na een goed uur terugkomt, ontbijt ik. Daarna heb ik eigenlijk de rest van de voormiddag vrij, op enkele occasionele klusjes na. Om kwart voor twaalf wandel ik naar de kleuterschool in de Brasilito-wijk om Benito op te halen. Driemaal per week neem ik ook Armando dan mee van zíjn school, eveneens in Brasilito, om met hem naar het rehabilitatiecentrum te wandelen, en terug. Na het middageten houd ik toezicht op de officio (klusjes) van enkele kinderen. Een uur recreo (speeltijd), waarin ik natuurlijk mee doe, wordt gevolgd door mijn dagelijkse lessen lichamelijke opvoeding. Als die afgelopen zijn, moet ik mezelf reppen om Mauro en
Miguel Angel, de probleemkinderen van de UNESCO-school, te gaan afhalen. De zon is meestal al een tijdje verdwenen als ik de vier kilometerlange wandeling afmaak door rond acht uur de poort binnen te strompelen. Een uurtje later is het etenstijd, waarna ik nog tot een uur of halfelf de oudsten met hun taken Engels ga helpen. Douchen, hagedissen buitenjagen, mijn ervaringen neerpennen en een hoofdstukje lezen, doe ik nog voor het slapengaan. Soms kruip ik ook met de laptop en mijn hoofdtelefoon een halfuurtje op het dak, om met de lichtjes van de stad voor ogen en de Dire Straits in de oren nog heel even uit te blazen.
Maar ik moet het zeggen zoals het is: ik doe dan wel redelijk veel, maar ik doe het gráág. Omdat ik voel dat het geapprecieerd wordt. Zoals bijvoorbeeld de LO-lessen vorige week. Ik had voor de gelegenheid een reisje-rond-de-wereld geïmproviseerd. Voor de leken: de ‘reis rond de wereld’ bestaat uit een parcours van turnbanken, sportramen, matten en ander materieel, waarover de kinderen elkaar achtervolgen zonder de grond te raken. De mogelijkheden van een ultramoderne Vlaamse sporthal hebben we hier natuurlijk niet. Maar met oude planken, touwen en een stel frisbees werden de roestige speeltuigen al gauw verbonden tot een vuelta om u tegen te zeggen! En net als in België, is dat een van de weinige activiteiten die aanslaan bij alle leeftijden. Het was een plezier om de 15-jarige, anders zo rustige Claudio gillend van touw tot touw te zien springen, én tegelijkertijd vast te stellen dat de net 3-jarige Panchito, in de opwinding van het moment en zonder het zelf te beseffen, voor het eerst in zijn korte leven de grootste glijbaan beklom... Chido!
Maar sommige dingen liggen een mens iets minder natuurlijk. Zoals een wandeling door het Tuxtalteekse spitsuur met twee psychologisch gestoorde en compleet onvoorspelbare kinderen aan de hand. Ik heb al verteld hoe ik Mauro verleden week bijna van het asfalt kon krabben na zijn onverhoedse poging om de snelweg over te steken. Vorige week ben ik door zowel zijn meester als Miguel Angels juffrouw binnengeroepen om eens bij te praten over het wangedrag van beide kinderen. De l
aatste (zie foto) doet onveranderlijk geen klop op school, maar dan echt níets, terwijl Mauro liever varieert op hetzelfde thema: hij kegelt rugzakken door het raam, propt het huiswerk van zijn klasgenootjes in de ventilator, of gaat zelf op de loop. De leerkrachten leken beiden nogal voorstander strengere straffen dan zij op school kunnen of mogen uitdelen. “Als ik vroeger stout was,” zij Mauro’s juffrouw,“dan kreeg ik van mijn vader een pak rammel waar ik s’anderdaags s’morgens nog om schreeuwde. Thuis kan je verder gaan dan op school, begrijpt u?”. Hier in de Albergo heb ik echter al goed genoeg geleerd dat dat bij sommige kinderen gewoon niet helpt. Soms heb ik het akelige gevoel dat ze al ‘aan de overkant zijn’, buiten bereik van welke hulp dan ook. Negen jaar oud en al verloren voor deze wereld? Dat iemand me alsjeblief vertelt dat dat niet mogelijk is. De realiteit is hard, maar niet helemaal onlogisch. Mauro is in zijn korte leven verhuist van een drugd-en alcoholverslaafde, alleenstaande moeder, over een grootmoeder die te oud was om voor hem te zorgen, naar neven die hem sloegen en stampten. Hij heeft nooit liefde gekend. En het ís moeilijk om die iedere dag opnieuw te geven als het kind in kwestie doet alsof je niet bestaat, dat weet ik ondertussen wel. Maar ik moet blijven proberen. Billy Joel schreef het ooit iets gelijkaardig over zijn geliefde, maar voor Mauro geldt het eigenlijk evenzeer:
Nu eens hangt hij aan je lippen,
dan weer laat hij je vallen als een baksteen.
Hij vraagt erop los,
Maar luistert niet naar je antwoord.
Hij pakt wat hij kan krijgen
En steelt als een dief,
Maar hoe dan ook, het is en blijft een kind.
Anyway, vermoeiende dagen dus. En dat laat zich voelen. Zo heb ik deze week nog maar eens uitvoerig gedemonstreerd waarom sommige mensen me ‘verstrooide professor’ noemen. Eergisteren had ik mezelf opnieuw buitengesloten door mij sleutel in de kamer te laten liggen. Niet de eerste keer, dus duurde het al wat minder lang voor Sor Rosita de reservesleutel had opgeduikeld. Dus, ik met die reservesleutel terug mijn kamer binnen, eventjes bekomen op bed. Twee minuten later ga ik naar beneden om te gaan eten, en jawel, ik realiseer me nog voor de laatste trede van de trap dat ik ook de tweede sleutel heb laten binnenliggen. Bij gebrek aan een derde moest er een slotenmaker aan te pas komen... .
Bovendien amsuseer ik mij dezer dagen ook met het tarten van de tetanus-demon. Nadat de antieke ventilator mijn pink bijna consumeerde, pakte ik ook nog eens in een verroeste nagel bij een van de
speeltuigen. Maar eerder deze week was het wel helemaal prijs. De vermoeidheid sloeg weer toe toen ik iets van mijn kamervloer wilde oprapen, en dus zag ik mijn bed niet staan. Gevolg: ik buk me en sla keihard met mijn voorhoofd op een van de ijzeren spijlen aan het voeteinde (zie foto). Eigenaardig genoeg schrik ik me eerst rot van het geluid van de klap, voordat ik de pijn door mijn hoofd voel schieten. Ik tast boven mijn wenkbrauw en het bloed loopt over mijn vingers. De jaap in mijn voorhoofd zal uiteindelijk pas s’anderdaags s’middags stoppen met bloeden. Jaja, dat maakt er ook maar één mee!
Eén moment nog om in te kaderen, met de kleine Samuel. De zevenjarige jongen is letterlijk alleen op de wereld; van geen enkel familielid is er iets geweten. Om een of andere duistere reden noemt hij me altijd ‘Walter-Pok’, en als ik dan antwoord met ‘Si, Samuel-Pok’ lacht hij zijn haveloze gebit bloot. Eergisteren kwam hij langs voor z’n gebruikelijke slaapwelknuffel en toen ik hem daarop vastpakte, fluisterde hij met een brede glimlach vantussen mijn hemdsplooien: “Puedes ser mi papichula, Walter-Pok”, jij mag mijn papa spelen. Als ik al even niet meer wist waarom ik hier zit, dan weet ik het op zo’n moment wel terug!

Reacties